|
De mineralenverzameling:
ordenen, etiketteren en opbergen...
Hugo Bender
Verzamelen
Wie het mineralen verzamelen te pakken heeft,
zal onvermijdelijk geconfronteerd worden met de noodzaak
om zijn verzameling te ordenen, te catalogeren en op
te bergen. Op de vraag "Hoe móet een mineralen-verzameling
georganiseerd worden?" bestaat geen antwoord, maar
op de vraag "Hoe kán een mineralenverzameling
georganiseerd worden?" bestaan wellicht evenveel
antwoorden als er mineralenverzamelaars zijn.
Enkele mogelijkheden voor het ordenen,
etiketteren en catalogeren, en opbergen van een mineralenverzameling
worden hier besproken.
Persoonlijke voorkeur en interesse zijn bepalend voor
de wijze waarop men verzamelt. Tengevolge van beperkingen
in tijd, ruimte en budget kan men niet alles verzamelen
en dient men zich in de praktijk meestal te beperken
tot één of enkele thema's, bijvoorbeeld:
- mooie handstukken van
de meest voorkomende mineralen
- micromounts
- regionaal: 'België', 'Alpen', 'Clara', ...
- één bepaald mineraal in al zijn facetten
: 'kwarts', 'calciet', 'fluoriet'
- één soort mineralen : 'carbonaten',
'fluorescerende mineralen',
'kopermineralen'
- specialiteiten: tweelingen, fantoomkristallen, éénkristallen,
...
- systematisch: alle bestaande mineralen
- etc., etc...
De keuze van deze thema's zal in grote
mate de ordening van de verzameling beïnvloeden.
Ordening van een
mineralenverzameling
Enkele criteria die men zou kunnen bedenken om
een mineralenver-zameling te ordenen (niet allemaal
even logisch!) :
- chronologisch volgens datum
van aanwinst:
alleszins niet de meest overzichtelijke methode …
- alfabetisch: voor de systematische verzamelaar een
mogelijkheid, maar toch niet aangewezen aangezien
gelijkaardige mineralen zo helemaal niet gegroepeerd
geraken
- kleur van de mineralen: uw fluorieten en smithsonieten
zijn dan wel over uw ganse verzameling verspreid …
- vorm van de kristallen of kristalstructuur: niet
altijd zo duidelijk te onderscheiden, mogelijk wel
aangewezen als u bijvoorbeeld 'calcieten' verzamelt
- vindplaats/regio: zeer populair bij de verzamelaars
van voornamelijk eigen vondsten
- aanwezigheid van een bepaald chemisch element, vb
Cu: gedegen koper (Cu), cupriet (Cu2O),
covellien (CuS) en malachiet liggen dan broederlijk
naast elkaar, maar waar blijft u met uw chalcopyriet
(CuFeS2) als u ook ijzermineralen verzamelt?
Uiterlijk is er meestal geen sterke gelijkenis tussen
mineralen met een zelfde kation (dit is het positief
geladen ion in de chemische formule, in dit voorbeeld
dus Cu).
- volgens aanwezig anion (het negatieve ion) of aniongroep:
vb CO3 (carbonaten), PO4 (fosfaten),
... De uiterlijke gelijkenis tussen mineralen met
eenzelfde anion is vaak zeer sterk en dergelijke mineralen
komen ook frequent samen voor. De indeling volgens
de aniongroep wordt in de meeste boeken over mineralogie
gehanteerd, maar de indeling en nummering van de klassen
is verre van eenduidig. Voor de systematische verzamelaar
is een dergelijk systeem beslist wel de meest aangewezen
indeling.
In de loop der tijden is de 'systematische'
indeling van de mineralen (en ook de definitie van 'mineraal')
heel wat geëvolueerd. Pas met de ontwikkeling van
de moderne scheikunde in de 18de-19de
eeuw ontstond de basis voor de systematische indelingen
zoals die nu nog gebruikt worden. Enkele indelingen door
de eeuwen heen:
- Aristoteles (4de
eeuw voor Chr.) onderscheidde stenen en metalen.
- de Broeders van Basra (10de eeuw) kenden
lucht-, steen-, plant-, dier-, stof-, waterachtige
en smeltbare stoffen.
- Paracelsus (16de eeuw) hield het bij
gluten, stenen en edelstenen, zouten en metalen.
- Werner (18/19de eeuw): brandbare fossielen,
aardachtige fossielen (o.a. silicaten, sommige carbonaten),
zoutachtige fossielen (carbonaten, nitraten, sulfaten
en chloriden) en metallische fossielen (oxiden en
sulfiden).
- Berzelius (1824): geoxideerde materie (o.a. silicaten,
carbonaten, ...), oxiden en hydroxiden, en niet-geoxideerde
materie (o.a. sulfiden, elementen, ...). Dit was de
eerste systematische indeling van de mineralen volgens
chemische samenstelling in klassen die overeenstemmen
met het aanwezige anion.
- Dana (1837) gebruikte aanvankelijk een systeem dat
vooral op uiterlijke kenmerken gebaseerd was. Pas
vanaf zijn 3de en 4de editie
(1850/1854) is de indeling gebaseerd op chemische
en kristallografische eigenschappen. Binnen de chemische
klassen (o.a. I Elementen, II Sulfiden, seleniden,
telluriden, arseniden, antimoniden, …) werden
mineralen met een gelijkaardige chemische formule
en zelfde kristalstructuur, 'isomorfe mineralen',
in groepen samengebracht. In de meest recente 8ste
editie “Dana’s
new mineralogy” verschenen in 1997 worden
78 klassen onderscheiden volgens de chemische samenstelling.
Elk mineraal heeft een Dana classificatienummer (vb
14.1.1.1 voor calciet) dat verwijst naar de klasse
(vb : 14 Watervrije carbonaten) en verder mineralen
met gelijkaardige chemische en kristallografische
eigenschappen groepeert. Het werk bevat alle 3700
mineralen die in 1997 gekend waren. (een overzicht
van de fouten kan u hier
downloaden)
- Een veel gebruikte systematiekindeling zijn de tabellen
van Strunz (“Mineralogische Tabellen”
1941, en meer recent “Strunz
Mineralogical Tables 9th Ed”. Ook deze indeling
is gebaseerd op een combinatie van de chemische en
structurele eigenschappen van de mineralen.
De laatste editie van het werk van Strunz onderscheidt
10 klassen:
I. Elementen
II. Sulfiden en sulfozouten
III. Halogeniden
IV. Oxiden
V. Carbonaten, nitraten
VI. Boraten
VII. Sulfaten
VIII. Fosfaten, arsenaten, vanadaten
IX. Silicaten
X. Organische verbindingen
Elke klasse wordt onderverdeeld in Afdelingen,
Onderafdelingen en Groepen. Verwante groepen worden
in 'families' bijeengebracht. De nummering (hier
downloaden) gaat tot het niveau van de groepen,
de individuele mineralen hebben geen nummer. Als voorbeeld
vinden we calciet bij Strunz terug onder:
Klasse 5 Carbonaten
Afdeling 5.A Carbonaten zonder andere anionen en zonder
kristalwater
Onderafdeling 5.AB. Alkali-aard carbonaten
Groep 5.AB.05. Calciet groep
Mineralen calciet, magnesiet, sideriet, …
Hoewel de Afdelingen in het systeem van
Strunz op hetzelfde niveau staan als de klassen in het
Dana systeem is er helemaal geen overeenstemming! Bijvoorbeeld
zijn er 4 klassen boraten bij Dana en 8 afdelingen bij
de boraten volgens Strunz.
Een doorgedreven ordening van een
mineralenverzameling volgens de indeling van Dana of
Strunz kan enkel interessant zijn voor systematiekverzamelaars.
De groepen bevatten altijd slechts enkele tot een 10-tal
mineralen waarvan de meeste zeldzaam tot heel zeldzaam
zijn en dus zullen de groepen in de meeste verzamelingen
helemaal niet of slechts door één enkel
mineraal vertegenwoordigd zijn.
Buiten de nummeringen van Dana en Strunz bestaat er
ook een andere nummering volgens "Das große
LAPIS-Mineralienverzeichnis".
Etiketteren en catalogeren
Een specimen waarvan u noch de naam,
noch de herkomst kent, kan een mooi siervoorwerp zijn,
maar is vanuit het oogpunt van de mineralenverzamelaar
waardeloos. De juiste naam (als u die kent) en vindplaats
zijn de minimale gegevens die van elk specimen zouden
moeten gekend zijn. Hoe meer gedetailleerd de vindplaats
omschreven is, hoe beter; 'amethist, Brazilië'
is ongeveer gelijkwaardig met 'calciet, Europa' als
u een specimen van Beez, België bedoelt !
De naam- en vindplaats-informatie kunt
u op een etiket bewaren bij het specimen of indien het
specimen in een Jousi- of kartonnen micromount-doosje
bewaard wordt, op de onderzijde van het doosje kleven.
Losse labels durven al eens gescheiden te geraken van
hun specimen of erger nog onderling omgewisseld te worden.
Ook de deksels van doosjes durven omgewisseld te raken
en worden dus best niet gebruikt om een label of nummer
op te kleven. Bovendien gaan labels op de dekseltjes
er na een tijdje meestal ook nogal slordig uitzien.
Het discreet aanbrengen van een eenduidig en onuitwisbaar
referentie-nummer op elk specimen en op de (losse) label
of de onderkant van het bewaardoosje is daarom aangewezen.
Op het specimen kan het nummer aangebracht
worden met niet-water-oplosbare inkt (vb Chinese inkt
met een tekenpen) op een stevige en liefst kontrasterende
plaats op de 'achterzijde' van het specimen
 |
Boven en onderaanzicht
van hetzelfde calcietspecimen (Landelies, Henegouwen,
België) |
 |
|
Poreuze of korrelige mineralen of het
gesteente waarop de kristallen zitten, zijn vaak niet
of moeilijk beschrijfbaar. In dat geval kan eerst een
wit vlekje met Typex aangebracht worden waarop dan het
nummer geschreven wordt, of een klein kartonnetje met
het nummer kan vastgehecht worden met kit. Dit kan dan
meteen ook dienst doen als voetje om het specimen rechtop
te plaatsen.
 |
Onderaanzicht van een
aragonietspecimen (Tazouta mijn, Sefrou, Atlasgebergte,
Marokko) |
Een doorlopende nummering volgens
aanwinstdatum heeft het voordeel dat ook niet gedetermineerde
specimens onmiddellijk een nummer toegekend krijgen.
Een nummeringsysteem dat verwijst naar het mineraal
of de mineraalgroep, (vb het Dana of Strunz nummer)
laat dit niet toe en is ook afhankelijk van mogelijke
hernummeringen in nieuwe uitgaven van die referentiewerken.
Andere nuttige gegevens die u kunt bewaren maar waar
een etiket duidelijk niet de ruimte voor biedt:
- datum van de vondst, aankoop, ruil
- plaats van de aankoop of ruil : vb MINERANT2005
- voor aangekochte specimens: prijs in EUR (het bewaren
van de originele labels kan ook een mooi
verzamelthema zijn!)
- persoon die het verkocht of ruilde
- grootte van het specimen: vb micromount, handstuk
- plaats waar het opgeborgen is
- begeleidende mineralen
- insluitsels
- groepnummer volgens Strunz en mineraalnummer volgens
Dana
- chemische formule : die kunt u eigenlijk beter opzoeken
in de 'Glossary of Mineral Species' of
op onze formule-pagina's
i.p.v.
die voor elk specimen te gaan overschrijven
- kleur, streekkleur
- fluorescentiekleur onder lange en korte UV
- glans
- hardheid
- kristalvorm
- chemische behandeling/reiniging die het specimen
eventueel ondergaan heeft
- eventuele herstellingen van het specimen
- resultaten van determinatietesten
- of u een foto of dia van het specimen bezit
- bijzondere eigenschappen: vb tweeling, pseudomorfose
- referentie naar een artikel over het specimen of
over de vindplaats: vb 'mineraal van de
maand MKA januari 2005, Geonieuws
30(1) 18 2005’
Buiten de label per specimen zijn de mogelijkheden
om al deze gegevens te bewaren:
- u onthoudt alles zelf
(ook als u 105 wordt en 3987 specimens
bezit?)
- een fiche per specimen
- een notaboekje
- een databestand op computer
Een computerbestand heeft het voordeel dat u 'snel'
allerlei informatie over uw verzameling kunt opzoeken,
vb:
- lijst van alle specimens van een
bepaalde vindplaats
- lijst van al uw calcieten
- lijst van al uw carbonaten
- lijst van al uw fluorescerende mineralen
- ...
De mogelijkheden hangen af van het
programma dat gebruikt wordt en het ontwerp van het
bestand. Ideaal wordt een relationele database gebruikt
(vb Access) zodat de vindplaatsen en mineraalnamen niet
telkens opnieuw moeten ingetypt worden en daardoor schrijffouten
kunnen vermeden worden. In de tabel met de mineraalnamen
kunnen ook kolommen met de chemische formules, het Dana
en het Strunz nummer voorzien worden.
Een voorbeeld van een specimenfiche uit het eigen bestand:

De eerste lijn geeft:
- de klasse volgens Strunz, in dit geval
een silicaat
(onbekende mineralen krijgen klasse “XX”)
- een volgnummer
- aantal specimens voor dat nummer (niet echt een eenduidig
nummer dus)
- de vind- of aankoopdatum
De vindplaats is opgesplitst in 4 niveaus
van detail (Gaisbergferner) tot land (Oostenrijk) die
in 4 gerelateerde tabellen bewaard worden, m.a.w. bij
selectie van de vindplaats “Gaisbergferner”
liggen meteen alle andere vindplaatsgegevens vast en
dus zal de Gaisbergferner nooit in Ootsenrjik liggen
en ook nooit in België.
Het mineraal (almandien) of de mineralen
(indien er meerdere mineralen op hetzelfde specimen
aanwezig zijn) worden met een andere tabel gerelateerd
die eveneens de chemische
formules bevat zodat die snel kunnen opgezocht worden.
De volgende lijn geeft nog wat toelichting
(2 kristallen en informatie over de matrix), en een
referentie naar een artikel in Geonieuws. In de lege
vakjes zou de eventuele fluorescentiekleur kunnen aangeduid
zijn (maar almandien fluoresceert niet …) en het
feit of er al dan niet een dia/foto van het specimen
bestaat (niet dus).
Tenslotte de aankoopplaats (MKA vergadering)
en prijs in EUR. Voor eigen vondsten zouden deze velden
leeg blijven.
Bemerk dat niet alle 'nuttige gegevens'
die hierboven aangehaald werden, opgeslagen worden (vb
kleur, grootte, plaats van opbergen) en dat er ook gezondigd
wordt tegen de regel 'nummer eenduidig', in die zin
dat 10 gelijkaardige stukken gevonden op dezelfde dag
en plaats een zelfde nummer krijgen.
Een lijstje met alle specimens van
de Hollenzkogel in Zuid Tirol is meteen op het scherm
te toveren:

Opbergen
Na het reinigen en verkleinen van uw
specimens tot een geschikt formaat, en het determineren
en catalogeren van uw aanwinsten bent u aan het opbergen
toe.
De problemen hierbij hebben menig mineralenverzamelaar
reeds doen verzuchten 'waarom toch geen postzegels verzamelen?'.
Heel wat ruimte hebt u alleszins nodig om uw (groeiende
!) verzameling te kunnen opbergen. Een mooie museumuitstalling
is privé haast ondoenbaar.
Een mineralenverzameling dient uiteraard
op een niet-vochtige en stofarme plaats opgeborgen.
Voor sommige mineralen dienen bijzondere voorzorgen
getroffen te worden om ze tegen wisselende omstandigheden
in hun omgeving te beschermen.
• Proustiet, pyrargyriet en zilverhalogeniden
dienen afgeschermd te worden van het licht om verkleuring
(verdonkering) te voorkomen. Ook cupriet en cinnaber
kunnen verdonkeren, terwijl roze kwarts en topaas lichter
kunnen worden. Realgar (AsS) wordt door licht omgezet
in pararealgar en wordt daardoor gelig en zal tenslotte
volledig verkruimelen. Borax wordt door licht omgezet
in tincalconiet.
Enkele lichtgevoelige mineralen:
acanthiet
alabandiet
argentiet
borax
chlorargyriet
cinnaber
diaphoriet |
iodargyriet
kongsbergiet
miargyriet
moschellandsbergiet
proustiet
pyrargyriet
pyrostilpniet |
realgaar
stephaniet
stibniet
stromeyeriet
sylvaniet
xanthoconiet
|
•Temperatuurschommelingen kunnen
schadelijk zijn voor o.a. zwavel dat na verloop van
tijd scheuren kan gaan vertonen. De kristallen kunnen
reeds beschadigd worden door ze in de hand te nemen!
Zwavel mag daarom best niet bewaard worden nabij een
venster waar het door invallend zonlicht kan opgewarmd
worden.
• Uitdroging kan voorkomen bij
o.a. opaal, autuniet en torberniet. Afhankelijk van
de luchtvochtigheid zal uw mineraal meta-autuniet of
autuniet, of meta-torberniet of torberniet zijn. Te
droge lucht doet laumontiet uitdrogen en uiteenvallen.
Ook borax, chalcanthiet, kerniet en schöniet geven
hun kristalwater af in een droge omgeving en vervallen
tot poeder. Quenstedtiet wordt omgezet in coquimbiet
door waterverlies.
• Heel wat halogeniden, boraten,
nitraten en natriumhoudende carbonaten houden van een
droge omgeving. Haliet, sylvien en carnalliet nemen
water op uit de lucht. Door opname van vocht uit de
omgeving kan kieseriet zich omzetten in epsomiet en
kan rammelsbergiet bedekt worden met een laagje annabergiet.
Delvauxiet verkruimelt in een vochtige omgeving.
• Door reactie met de lucht zullen
sommige marcasiet- en pyrietspecimens na een tijdje
'begroeid' worden met o.a. het ijzersulfaat melanteriet,
dat op zijn beurt door verlies van kristalwater vervalt
of door reactie met de lucht oxideert tot een geel ijzersulfaat.
Pyrietspecimens die aan dit fenomeen onderhevig zijn,
zullen na verloop van tijd helemaal uiteenvallen.
Een behandelingswijze van vocht- of
droogtegevoelige mineralen met een kunststoflaagje kan
soms noodzakelijk zijn, maar heeft meestal een onnatuurlijke
glans tot gevolg. Bewaren in een afgesloten (Jousi)
doosje is voor de meeste dergelijke mineralen een voldoende
voorzorg.
Enkele vocht- en droogtegevoelige mineralen
die best in een gesloten doosje bewaard worden:
alabandiet
autuniet
bierberiet
bischofiet
blödiet
borax
carnalliet
chalcanthiet
copiapiet
coquimbiet
delvauxiet
epsomiet
fibroferriet
gaylussiet |
goslariet
haliet
halotrichiet
hexahydriet
kerniet
kieseriet
melanteriet
morenosiet
nahcoliet
natron
nitronatriet
opaal
pickeringiet
pirssoniet |
polyhaliet
quenstedtiet
rammelsbergiet
retgeriet
schöniet
smaltiet
struviet
sylvien
tachydriet
thermonatriet
torberniet
trona
ulexiet
|
• Zilver en koper reageren met zwavel uit de lucht
en verliezen daardoor hun glans. Ze kunnen dan ook best
niet in de omgeving van zwavelhoudende mineralen bewaard
worden en bij voorkeur in een gesloten doosje.
• Radioactieve (U of Th-houdend),
en giftige (vb whitheriet, auripigment, asbest, kwik,
...) mineralen zouden steeds in een gesloten doosje
moeten bewaard worden. Zij horen zeker niet thuis in
de woon- en slaapkamer. Om het radioactieve radongas
dat uit radioactieve mineralen langzaam vrijkomt te
laten ontsnappen kan men de Jousi-doosjes van een klein
gaatje voorzien.
• Best beschermt u al uw mineralen
tegen té nieuwsgierige kinderhandjes. Overigens,
hebben ook kijklustige volwassenen vaak de neiging om
fragiele mineralen te willen betasten wat o.a. voor
uw okeniet, natroliet en mesoliet rampzalig zal zijn!
Mogelijke opbergplaatsen zijn:
- Op kast, grond, vensterbanken;
niet geschikt voor fragiele specimens
(o.a. stof, beschadiging)
- Gesloten kasten; handstukken, fragiele specimens
nadeel: 'onzichtbare' opberging
- Vitrinekasten geschikt voor handstukken, fragiele
specimens
(met enige handigheid maakt u uw kasten zelf)

- Laden geschikt voor kleinere stukken,
micromounts
een belangrijk nadeel is de hoge prijs
van zelfs de meest eenvoudige ladenkasten

- Kartonnen dozen
- Plastieken dozen
- Fruitkistjes; kleinere stukken, micromounts
het nadeel ontdekt u snel als u een specimen
uit de onderste
doos nodig heeft
stapelhoogte ook beperkt door het gewicht,
afhankelijk van de stevigheid van de dozen

Kleinere specimens kunnen met ‘kit’
gemonteerd worden in een doosje. Daardoor zijn ze stofvrij
verpakt en gemonteerd met de meest interessante zijde
naar boven. Vetvrije kit is noodzakelijk. Nadeel van
kit kan wel zijn dat hij later moeilijk te verwijderen
is van fragiele specimens. Ook als alle zijden van het
specimen interessant zijn verliest men altijd een kant.
In een dergelijk geval kan men het specimen ook los
in het doosje leggen, desnoods met wat zacht papier
ondersteund tegen schokken bij transport. Alle plastic
doosjes hebben het nadeel stof aan te trekken en gemakkelijk
te krassen. Zeker voor het bekijken van een specimen
onder de stereomicroscoop zal het doosje daarom altijd
moeten geopend worden.
Al naar gelang de grootte van het specimen
zijn er nog verschillende mogelijkheden:
- micromount doosje, vaste maat (25x25x20
mm)
- ‘Jousi’-doosje: doorzichtig deksel op
lage bodem, bestaat in vele maten
- open kartonnen vouwdoosje: uiteraard niet stofvrij,
bestaan ook in verschillende maten
- met kit opkleven op stevig kartonnetje of dikke
plastic folie. Dit heeft het voordeel dat de maat
van het voetje altijd klopt en dat in de (laden)kast
niet te veel plaats verloren gaat door overgedimen-sioneerde
doosjes. De bescherming van het specimen is uiteraard
wel slechter.
 |
Zilverkristallen (Kongsberg,
Noorwegen) in een micro-mount doosje |
 |
Borax (New Pit, Boron, Californië)
in gesloten Jousi-doosje |
 |
Tarnowitziet (Tsumeb, Namibië)
met kit op een plasticvoetje gemonteerd |
Zorg bij het tentoonstellen steeds
voor voldoende (ongekleurde) verlichting met spotlampen
of halogeenspots, liefst uit verschillende invalsrichtingen
om schaduwen te beperken.
Een 'propere' zolder of garage is onontbeerlijk.
Kelders zijn meestal té vochtig en té
stoffig!

|