|
wat is fluorescentie
Axel Emmermann
Wat is fluorescentie? Fluorescentie
is een vorm van luminescentie waarbij een stof bestraald
wordt met licht van een bepaalde golflengte en dan zelf
licht van een (meestal) langere golflengte gaat uitzenden.
Absorptie van fotonen met een bepaalde golflengte leidt
in een dergelijk geval tot de bijna onmiddellijke uitzending
van fotonen met een meestal langere golflengte. Het
uitzenden van licht door de bestraalde substantie eindigt
bijna ogenblikkelijk na het stopzetten van de bestraling.
Dit onderscheidt fluorescentie van fosforescentie, waarbij
het uitzenden van licht nog enige tijd doorgaat nadat
de exciterende bestraling beëindigd werd.
Traditioneel spreken we van fluorescentie
wanneer aan enkele voorwaarden voldaan wordt:
ten eerste dient de exciterende straling van elektromagnetische
oorsprong te zijn, dat wil zeggen: fotonen. Sommige
stoffen fluoresceren wanneer zij bestraald worden met
elektronen. We spreken dan echter niet van fluorescentie
maar van luminescentie, meer bepaald kathodeluminescentie.
Ten tweede dient de uittredende straling in het zichtbare
gebied van het spectrum te liggen.
Gemakkelijkheidhalve spreken we echter tegenwoordig
ook van fluorescentie wanneer het uitgezonden licht
in het UV of infrarode deel van het spectrum valt.
Er zijn slechts weinig mineralen bekend
waarvan de kleur in gewoon licht gelijk is aan de fluorescentie
kleur. Robijn is hier een goed voorbeeld van. Bij de
meeste mineralen is er echter geen relatie tussen de
kleur bij daglicht en de kleur van de fluorescentie.
|
Robijn in chroomzoisiet,
Lonigdo, noordelijk van Arusha, Tanzania. Foto onder
LW UV
Foto & verzameling: A. Emmermann |
Enkele andere vormen van luminescentie zijn:
- thermoluminescentie: hierbij
wordt licht uitgezonden door een stof die opgewarmd
wordt
- cryoluminescentie: stof wordt fluorescerend
bij zeer lage temperaturen
- Bioluminescentie: licht dat wordt
uitgezonden door bacteriën en schimmels (verrotting)
of langzame oxidatie in levensvormen (vuurvliegjes)
- Chemoluminescentie: licht dat ontstaat
bij chemische reacties, meestal langzame oxidaties
- Triboluminescentie: licht dat ontstaat
bij het krassen van een minerale stof
- Radioluminescentie: licht dat ontstaat
door inwerking van radioactieve straling op een substantie
- Sonoluminescentie: licht dat ontstaat
bij het inklappen van vacuoles tengevolge van ultrageluid
in een vloeistof onder druk
- kathodeluminescentie: licht dat ontstaat
uit bestraling van een stof met elektronen
- Fractoluminescentie: licht dat ontstaat
bij het breken van kwarts kristallen
- Fosforescentie: luminescentie die
voortduurt nadat de oorzaak ervan is weggenomen.
Wat is licht? Licht
is dat deel van het elektromagnetische spectrum dat
wij direct kunnen waarnemen met onze ogen, dat we dus
kunnen zien. Dit zichtbare deel van het spectrum beslaat
het golflengtegebied tussen ongeveer 380 nanometer en
780 nanometer. Lichtdeeltjes noemen we fotonen. Deze
worden uitgezonden telkens wanneer een geladen deeltje,
een elektron of een proton, energie verliest. Omgekeerd,
wanneer een geladen deeltje door een foton getroffen
wordt, dan zal het aan energie winnen.
De energie-inhoud van een foton is
recht evenredig met de hoeveelheid energie die het geladen
deeltje dat het foton uitzond verloor. Hoe meer energie
een foton heeft, hoe korter zijn golflengte.
Atomen en licht. Atomen
bestaan ruwweg uit twee delen: de atoomkern en de elektronen.
De atoomkern bestaat uit protonen en neutronen. De protonen
zijn positief geladen deeltjes. Voor elk proton in de
atoomkern heeft het atoom een negatief geladen elektron
in zijn elektronen mantel. Op deze manier worden de
elektronen elektrostatisch aangetrokken door de positieve
lading van de atoomkern. Als gevolg hiervan bevinden
de elektronen zich liefst zo dicht mogelijk bij de atoomkern.
We noemen dit de "grondtoestand" van het atoom
in kwestie.
Elektronen kunnen zich niet gelijk
waar bevinden binnen de elektronen mantel. Ze zijn gebonden
aan banen waarvan de energie-inhoud (afstand tot de
atoomkern en snelheid van het elektron: de baan moet
een geheel aantal golflengten van het elektron omvatten)
heel nauwkeurig vast ligt voor elk elektron van elk
element. Wanneer een elektron getroffen wordt door een
foton waarvan de energie exact gelijk is aan het energieverschil
tussen zijn huidige baan en een hogere toegelaten baan,
dan zal het elektron naar die baan springen. Deze sprong
gebeurt ogenblikkelijk en zonder tussenliggende posities.
Het foton dat deze sprong veroorzaakt noemen we de exciterende
straling. Het atoom bevindt zich nu niet langer in de
grondtoestand maar is, zoals dat heet, geëxciteerd.
Een atoom kan niet lang in geëxciteerde
toestand te blijven. Binnen zeer korte tijd, typisch
enkele miljoensten van een seconde, valt het omhooggeschoten
elektron terug naar zijn oorspronkelijke baan, zo dicht
mogelijk bij de atoomkern. Het atoom keert dus terug
naar zijn grondtoestand. Het elektron kan (maar moet
niet) bij zijn terugval een korte tussenstop maken bij
elke toegelaten baan. De terugval wordt dus verdeeld
over een aantal kortere sprongetjes. Bij elk sprongetje
zendt het elektron een foton uit waarvan de energie-inhoud
overeenkomt met het energieverschil tussen de bereikte
baan en de vorige baan. Een of meer van deze sprongetjes
kunnen een foton opleveren dat binnen het zichtbare
deel van het spectrum valt. Het atoom fluoresceert dan.
Atomen en luminescentie.
Het terugvallen van geëxciteerde
atomen naar de grondtoestand in sprongetjes verklaart
de wet van Stokes die zegt dat bij fluorescentie de
golflengte van het uitgezonden licht altijd groter is
dan die van de exciterende straling, enkele uitzonderingen
daargelaten (anti-Stokes wet). Sir George G. Stokes
wordt algemeen erkend als de ontdekker (1852) van de
fluorescentie tengevolge van ultraviolet licht. Hij
noemde het verschijnsel fluorescentie omdat het door
hem voor het eerst werd waargenomen in fluoriet (de
beroemde groene fluoriet van Weardale, Engeland). Fluorescentie
is dus niet verbonden met het element fluor, wat veel
mensen schijnen te denken.
Soms worden elektronen door de exciterende
straling een beetje te ruw behandeld en worden ze volledig
losgeslagen van hun atoom. Deze bevrijde elektronen
worden vaak ingevangen door vacante plaatsen binnen
een kristal. Ze kunnen dan niet meer op eigen kracht
terugvallen en moeten wachten tot ze een duwtje krijgen
van buitenaf. Dat duwtje kan gegeven worden door fotonen
en/of rooster trillingen (fosforescentie), radioactieve
straling (radioluminescentie) of sterk toenemende rooster
trillingen tengevolge van temperatuurstijging (thermoluminescentie).
Vrije atomen, in ongebonden toestand
dus, zullen slechts zelden fluorescentie vertonen (meestal
ijle en reeds gedeeltelijk geïoniseerde gassen).
Wanneer atomen echter chemisch aan elkaar gebonden zijn
neemt de complexiteit van de elektronenmantel behoorlijk
toe. Het aantal sprongmogelijkheden van de elektronen
ONDER de valentie-elektronen neemt evenredig sterk toe.
Daarom treffen we fluorescentie meestal aan in het rijk
van de chemische verbindingen, zowel organische als
anorganische, en niet of slechts zelden bij de elementen.
De fluorescentie en mineralen.
Sommige mineralen beginnen licht uit
te zenden wanneer we ze onder een brandende ultraviolet
lamp plaatsen. Het uitgezonden licht verschilt meestal
volledig van kleur met de normale kleur van het mineraal.
Sommige mineralen fluoresceren reeds wanneer we ze bestralen
met blauw groen licht. Robijn en mangano-calciet zijn
hiervan bekende voorbeelden.
We onderscheiden een aantal golflengtegebieden
die als exciterende straling kunnen gebruikt worden:
- zichtbaar licht, meestal blauw of
groen
- Extreem lange golf ultraviolet: ligt
rond 360 tot 370 nanometer
- Lange golf ultraviolet: ligt rond
350 nanometer
- Middengolf ultraviolet: ligt rond
312 nanometer (ook UV-B genoemd)
- Kortegolf ultraviolet: de 253,7 nanometer
spectraallijn van kwik
Sommige mineralen reageren op alle
lichtbronnen op dezelfde manier met hoogstens een verschil
een intensiteit van de fluorescentie. Andere mineralen
reageren dan weer verschillend onder verschillende golflengten
ultraviolet of fluoresceren slechts onder een welbepaalde
UV-bron.
Oorzaken van fluorescentie in mineralen. Er
zijn een aantal verschillende oorzaken van fluorescentie
gekend:
• Insluitsels van fluorescerende
stoffen: soms worden stoffen die op zich fluorescerend
zijn ingesloten bij het uitkristalliseren van mineralen.
Hierdoor worden deze mineralen zelf ook fluorescerend.
De ingesloten stoffen kunnen bijvoorbeeld kleideeltjes
zijn of een ander fluorescerend mineraal zoals fijn
verdeeld scheeliet. Ook sommige organische zuren kunnen
opgenomen worden in het mineraal: humus zuur en andere
afvalproducten van organische oorsprong.
|
Zeer fijn verdeeld scheelietstof
is waarschijnlijk de oorzaak van de blauwe fluorescentie
van deze kleurloze beryl, Pingwu mijn, Hunan,
China.
Foto & verzameling: A.Emmermann, Foto onder
SW UV
|
• Intrinsieke fluorescentie:
sommige mineralen fluoresceren uit zichzelf. De oorzaak
van de fluorescentie is geen contaminatie maar een essentieel
gevolg van hun chemische samenstelling. Scheeliet en
de meeste fluorescerende uraanmineralen behoren tot
deze categorie. Ook de meeste boraten en een aantal
loodmineralen worden geacht intrinsiek fluorescerend
zijn.
 |
Autuniet, Autun, Frankrijk.
Foto & verzameling: A.Emmermann, Foto in LW
UV |
 |
Cerusiet, Mibladen, Midelt,
Marokko. Het lood in dit loodcarbonaat is de oorzaak
van de fluorescentie |
• Activators en co-activators:
in het kristalrooster van een mineraal kan een aantal
atomen van het mineraal vervangen worden door vreemde
ionen. Zo kan mangaan gemakkelijk calcium vervangen
in calciet. De vervangende ionen kunnen dan in het mineraal
fluorescentie veroorzaken. Men noemt deze vreemde ionen
"activators". Mangaan is in staat zelfstandig
fluorescentie op te wekken in bijvoorbeeld willemiet.
Het vervangt daar zink atomen en is als silicaat in
staat om een redelijk breed spectrum aan ultraviolette
straling te absorberen. Als carbonaat, in calciet, is
mangaan echter niet in staat om rechtstreeks ultraviolet
op te nemen van de tot onze beschikking staande golflengten.
Calciet dat enkel door mangaan verontreinigd is zal
dus niet fluoresceren. Wanneer echter een weinig lood
of europium tevens in het calciet aanwezig zijn, zullen
deze vreemde ionen het ultraviolet licht opnemen en
omzetten in een energie die wel door mangaan kan geabsorbeerd
worden. Hierdoor kan het mangaan wel tot fluoresceren
gebracht worden. Men noemt deze atomen die als "voorontsteking"
van de fluorescentie dienen co-activators of primers.
 |
Calciet, Rio Grande do Sul,
Brazilië. Activator: mangaan en lood
Foto & verzameling: A.Emmermann, Foto in MW
UV |
• Fouten in het kristalrooster: ontbrekende atomen
of misplaatste atomen kunnen in een kristalrooster tot
fouten leiden. Deze fouten verstoren het elektrostatische
evenwicht op de lokaties van deze fouten. Hierdoor kunnen
verstoringen optreden in de elektronenmantel van bepaalde
atomen waardoor deze gaan fluoresceren.
 |
Fluoriet, Seilles, Namen,
België. Fluorescentie wordt veroorzaakt door
roosterfouten
Foto: A.Emmermann, Verzameling: Richard Loyens,
Foto in LW UV |
Vreemde ionen kunnen in een kristalrooster
fouten veroorzaken doordat hun afmetingen lichtjes verschillen
van de ionen die ze vervangen. Zo kan strontium bvb
een weinig calcium vervangen in gips of calciet waardoor
verstoringen in de regelmaat van het rooster ontstaan.
Men noemt deze vreemde ionen “promoter ionen”.
Ze fluoresceren niet zelf maar “promoten”
fluorescentie centra binnen het kristal.

|